UITVAARTEN

Omschrijving van de eenzame uitvaarten in Nederland bijgewoond door de dichters in dienst van de stichting Eenzame uitvaart

zaterdag 12 mei 2012

EENZAME UITVAART NUMMER 147

Eenzame uitvaart nummer 147
I.M. Pierre Lambert
Begraafplaats St. Barbara, donderdag 10 mei 2012, half twaalf.
Dichter van dienst: Anneke Brassinga

In de trein word ik op maandag aan het eind van de middag mobiel gebeld door Van Bokhoven. Hij belt vanuit zijn huis. Voor hem is het al avond. Ik noteer in het wilde weg wat aantekeningen op een envelop. Een oudere meneer, die in zijn auto is gestapt en naar het ziekenhuis is gereden. Longkanker. Hij wilde geen behandeling, maar is toch opgenomen, en uiteindelijk in een hospice gestorven. Ach. Ook donderdag. Aansluitend op de uitvaart, die vorige week al werd gemeld. Slechte verbinding. We spreken af morgenochtend weer te bellen, op kantoor.

Als ik thuiskom, vind ik een briefje van Anneke Brassinga. Ze doet alles met de post en de telefoon. Ze behoort tot de zeldzamen, die niet over een computer beschikken, maar alles nog op de typmachine doet. 'Dat geeft zo'n fijn geluid.' Nu komt dat briefje goed uit. Ik spreek op haar antwoordapparaat in dat meneer Van Bokhoven juist een uitvaart heeft gemeld, het fijne weet ik er nog niet van, hij is morgen om halftien weer op kantoor. Maar ik kom er niet door. 'Telefonisch in gesprek' wordt dat daar genoemd. Dan word je doorverbonden met de afdeling Noodverblijf. 'Ah, Starik, van de dichters.' Ja, Van Bokhoven heeft mijn nummer. Hij zal terugbellen. Dat doet hij pas tegen het eind van de middag, als ik me ernstig zorgen maak, bijna een dag kwijt, en het is al dinsdag. 'Mevrouw Brassinga heeft mij vanochtend al gebeld, meteen om half tien, dus ik dacht niet dat het nog nodig was. Ik heb haar alles verteld.'

Gelukkig. Alles komt goed. Ik besluit het te laten voor wat het is. Wonderlijk, niettemin.
Het zal de eerste eenzame uitvaart ooit worden waarbij ik niet weet wie er precies wordt weggebracht, en waarom. Ik zoek muziek uit voor nummer een en nummer twee, voor het geval dat. Ik moet er maar op vertrouwen dat alles goed komt.

Even na half elf hebben we afscheid genomen van mevrouw Van Driel. Tegen elven komt Anneke Brassinga de begraafplaats op lopen. Best vroeg, vindt ze zelf ook. Ze is met de bus gekomen. Haar fiets staat in de stalling, en er is iets met de chipkaart die haar toegang tot de stalling zou moeten verlenen. Ze kan haar fiets wel door het raam zien staan, maar ze kan er niet bij. De regen is opgehouden. Ik sta buiten met meneer Mahmood te kletsen. Mijn zoon zal later vandaag zijn rijbewijs halen. In één keer, is de bedoeling. Mahmood vertelt over zijn eigen dochter en zoon. Trotse vaders, merkt Anneke op. De dag na de uitvaart vind ik haar verslag in mijn postvak, waarvan ik de relevante passages hieronder heb overgetikt, want dat is de consequentie van de typmachine: je eigen computer verandert dan ook weer in iets dergelijks.

"Meneer Pierre Lambert is achtentachtig jaar geworden en op 4 mei gestorven in het hospice van Sint Jacob op de Plantage Middenlaan. Het is een zachte, donkere, dreigende voorjaarsochtend. Starik en mijnheer Mahood hebben nog natte voeten van de voorafgaande Eenzame Uitvaart. Nu we voor de aula staan te achten op de auto met Pierre Lambert, breekt heel even de zon door. De platanen zijn geknot en steken wondermooi knokig af tegen de regenlucht.

Pierre Lambert was een 'natuurlijk kind', dus buiten de echt geboren, is me verteld. Hij heeft vanaf 1961 af op hetzelfde adres in de Lumeystraat gewoond, op drie hoog achter een zware deur, aan de binnen- en buitenzijde verstevigd met stalen strippen. Post ontving hij niet thuis, maar in zijn postbus. Een voorzichtig, op zichzelf levend man.

Met de ene overbuurvrouw met wie hij af en toe koffie dronk is het contact verbroken. Hij heeft haar in zijn laatste dagen op Sint Jacob niet meer willen ontvangen, daarom komt zij nu ook niet naar de begrafenis. Mijn stille hoop dat ze toch nog komen zal, vervliegt in de rook van onze sigaretten, terwijl de begrafenisauto het terrein oprijdt.
Een groot boeket op de kist, van meneer Lamberts spaargeld. Zes dragers. Ik heb Frans klinkende componisten meegenomen: Josquin, Clemens non Papa, Ockeghem. Non Papa misschien omdat hij zijn vader nooit gekend heeft?

In de aula is het sereen en stemmig als altijd. Starik heeft me juist verteld dat hij niet bijzonder van Josquin houdt, die hem ooit als 'de mooiste muziek ter wereld' was aangeraden, en ja, dan kan het alleen maar tegenvallen. Nu moet hij, helaas, omdat ik het meenam, het Agnus Dei uit de mis 'Faisant Regrets' aanhoren. Die regrets komen dus goed uit.

Na de muziek en het gedicht lopen we gedrieën zwijgend achter de dragers aan - de kist ligt een beetje scheef door hun verschillende lengte. Voorop gaan de uitvaartleidster en mijnheer Degenkamp junior. Het blijft nog even droog. Na een schepje zand op de kist, een kop koffie in de koffiekamer, gaan we allen ons weegs, om voor de volgende bui binnen te zijn. Dit was een eenzame Eenzame Uitvaart, misschien omdat het de tweede van de ochtend was?" Aldus Anneke Brassinga.


HONKVAST

Ze zeggen: je was een gesloten man, en bijna
kluizenaar, achter een zware deur versterkt met
stalen strippen, in een woning waar nooit

iemand kwam. Je nam niet op maar belde terug.
Ik durf je amper toe te spreken - jij strakke man
van achtentachtig die zelf de auto pakte om

naar het ziekenhuis te gaan, doodziek.
Nu je niet meer in leven bent, is over je leven
meer dan ooit bekend. 't Voelt haast brutaal

als ik me indenk hoe het voor je was
om vaderloos te zijn en zeventien, toen 't oorlog werd.
Maakt dat honkvast, nadien? Wie zich opsluit

is vertrouwd met angst, onveiligheid.
Op Dodenherdenkingsdag is je eind gekomen,
wij herdenken nu jou en vragen ons af:

Wat is vrede? De rust van een graf?


(C) Anneke Brassinga.
(C) voor verslag: Brassinga/Starik.





+

EENZAME UITVAART NUMMER 146

EENZAME UITVAART NUMMER 146
I.M. Johanna Francisca van Driel
begraafplaats St. Barbara, donderdag 10 mei, 10 uur 's morgens
dichter van dienst: Wim Brands

Op vrijdag 4 mei belt Ali Mahmood, vroeg in de ochtend. Hij spreekt op mijn antwoordapparaat in dat hij een eenzame uitvaart voor me heeft. Het duurt even voor ik hem te pakken krijg. Mevrouw Van Driel, geboren 1 augustus 1931, ongehuwd, kinderloos, woonachtig aan de Burgemeester Hogguerstraat op 28 april 2012. Het is de tweede dode dit jaar, die in een van die lange hoge flats aan de Sloterplas wordt aangetroffen.

'En dit is het verhaal,' vertelt Mahmood. De huismeester van de flat werd gealarmeerd door haar benedenbuurvrouw: wateroverlast. Huismeester Beunder belt bij mevrouw Van Driel aan, krijgt geen gehoor. Hij sluit de hoofdkraan van het gehele pand af. Schakelt de politie in. Ook zij worden niet opengedaan. Politie laat de firma Van de Bogaard (kan ook Van den Boogaard zijn) de deur openen. De politie treft mevrouw Van Driel, geheel ontkleed, in de badkamer aan, op haar linkerzijde in foetushouding in de badkuip gelegen, in een laagje water van plusminus 25 centimeter.

Mevrouw Van Driel is overgebracht naar het VU- ziekenhuis, koelcel nummer 23.
Ze wordt op donderdag 10 mei begraven. Die donderdagochtend regent het, hard en troosteloos. Je zou de wind stormachtig kunnen noemen. Eindelijk kan ik mijn kostbare paraplu met stormgarantie eens in de praktijk toetsen. En inderdaad, de paraplu houdt dapper stand. Ali Mahmood is er al, even later komt ook Wim aanfietsen. De jonge meneer Degenkamp vraagt naar de muziek. Ik overhandig hem de cd Key Figures, van Martin Fondse en Wolfert Brederode. Nummer 1, nummer 8, nummer 24.

Wim Brands diept zijn gedicht uit zijn binnenzak op, om vervolgens te bemerken dat dit zijn gedicht niet is. 'O nee,' kreunt hij. 'Tien minuten!' Hij beent haastig weg, om tien seconden later terug te keren met een opgeluchte grijns. 'Zet dit maar niet in je verslag,' lacht hij. 'Dacht het wel,' geef ik terug. Precies om tien uur gaan we naar binnen. De uitvaartleidster gaat ons voor, een vriendelijke dame met een open, vrolijk gezicht. Ze vraagt of Menno er ook is. 'Wigman, bedoelt u?' informeer ik. Dat weet ze niet. Ze heeft een boek dat een vriendin van haar gekocht heeft bij zich, om te laten signeren. Maar ze laat het boek niet zien, nu ik Menno niet ben.

Ali Mahmood schuift in op links, ik kies de derde rij op rechts, Wim komt naast me zitten. Best dichtbij, ik ben eigenlijk niet ver genoeg het bankje ingeschoven om plaats te maken voor een extra mens, dus ik schuif nog wat op. Als de aarzelende, zoekende piano is weggestorven, knikken we elkaar toe. Het is tijd om op te staan.

Achter ons horen we voetstappen. Wim stapt desondanks dapper naar voren, neemt plaats achter het spreekgestoelte en spreekt. Bij iedere regel, zodra tot een goed einde gebracht, maakt hij een buiging naar zijn papier, als om het te bedanken, dat het alles onthouden heeft wat hij er aan heeft toevertrouwd. Een papier dat hij ook echt heeft meegenomen. De uitvaartleidster zal later bekennen dat zij het was, die erover dacht naar voren te stappen om de dichter aan te kondigen, die al wist dat zijn tijd gekomen was. We hadden er alleen niks over afgesproken, over dat aankondigen, dat zullen we straks wel doen. Ze zal ook de volgende uitvaart leiden.
Die staat op half twaalf, de volgende. Wij zijn een volcontinu bedrijf. Die van tien uur en die van half twaalf. Er schijnt er om half drie nog eentje te wezen, maar die doen de mensen gewoon zelf, daar zijn we niet bij nodig. Ondertussen staat de gehele kapel van de begraafplaats in de steigers, het dak wordt opnieuw bekleed, met Spaanse leitjes, en de bouwvakkers staan uitvaarten lang te wachten tot het eindelijk afgelopen is. Er moet getimmerd worden zolang het leven duurt.



In memoriam

Johanna Francisca van Driel

Zo heb ik het me bedacht: op een doordeweekse avond wilde u
in bad, terwijl u dat meestal op zaterdag aan het einde van de dag

deed, zoals vroeger in de teil. U ontkleedde zich en herinnerde zich
het verheugen op de dag erna. Zo was er een zondag dat u door de stad

dwaalde alsof u de plattegrond was, een tocht die eindigde in de dierentuin,
de verwondering over de papegaaien met wie u sprak.

Wanneer sprak u voor het laatst met iemand? Hoe vaak deed u
boodschappen? Wat zei u in de winkels, wachtte u soms te lang

omdat u verlegen om een gesprek anderen liet voorgaan?
Ik zie hoe u in het water neerdaalt. Wanneer verdwenen de vertrouwde

mensen uit uw leven? Het zal langzaam zijn gegaan, zoals je tenslotte
in het te verlaten huis een laatste tapijt oprolt.

U had geen kinderen. Ik zie hoe u in het water neerdaalt en denk aan
het beeld van een mensheid die zich niet meer voortplant en zich

rustig oprolt. Zoals u nu in het water dat de juiste temperatuur heeft.
Als een kind dat zich verheugt. U gaat ons voor.



(c) voor het gedicht Wim Brands

(c) verslag F. Starik




+

donderdag 3 mei 2012

EENZAME UITVAART NUMMER 145

EENZAME UITVAART NUMMER 145

I.M. Margaretha Maria Theresia van Diemen

Begraafplaats St. Barbara, woensdag 2 mei 2012, 10 uur

Dichter van dienst: Eva Gerlach

Maandagmiddag brachten we nummer 144 weg, dinsdagmiddag meldt Van Bokhoven nummer 145 aan. Mevrouw Van Diemen. Geboren in Den Haag, op 25 september 1950. Sinds 1989 stond ze ingeschreven op haar woning aan de Olympiaweg. Een bijzonder mooie tweekamerwoning, vindt Van Bokhoven, heel schoon ook. Keuken, badkamer: alles keurig. Hij denkt dat de woning recent is gerenoveerd. Hoe netjes de woning ook geweest moge zijn, hij was nog niet volledig ingericht. Veel dozen.

Mevrouw Van Diemen was ongehuwd en is kinderloos gebleven. Zelf was ze het enige kind van een alleenstaande moeder, de vader heeft haar niet erkend. Haar moeder overleed in 1997. Margaretha leidde een teruggetrokken bestaan. Van Bokhoven sprak met een nichtje, die vertelde dat ze de laatste jaren soms door haar tante gebeld werd, 'om haar verhaal te doen', een verhaal dat het nichtje niet bijster vermocht te interesseren. Wat het verhaal van tante mag inhouden vermeldt de geschiedenis niet. Het nichtje komt in ieder geval niet naar de uitvaart.

Kort voor haar overlijden werd mevrouw Van Diemen naar het VU-ziekenhuis gebracht. Kanker. Ze was zo verzwakt, dat medisch ingrijpen zinloos werd geacht. Van het ziekenhuis werd ze overgebracht naar Hospice Kuria aan het Valeriusplein, een naam waarvan je geneigd zou zijn die met een C te beginnen, maar kans op genezing is er niet. Een pand met vrolijke gestreepte tuimelluifels voor de ramen, alwaar ze op 18 april jongstleden des nachts is overleden. De fax met de melding van het overlijden bereikte door een administratief misverstand het kantoor van Van Bokhoven vanmorgen pas, de ochtend voorafgaand aan de middag dat hij mij belde en ik mij aansluitend met Eva Gerlach in verbinding stelde.

Dinsdagmiddag en meneer Van Bokhoven wenst me prettig weekend. Ik zeg dat me dat voorbarig lijkt, in dit stadium van de week, maar het kantoor zal de rest van de week gesloten zijn. Dan wenst hij me nogmaals prettig weekend. 'Insgelijks,' zeg ik dan maar.

Ik tik de gegevens in, schenk mezelf ondertussen een eerste weekend-biertje, en draai ondertussen een cd van Ane Brun. Die levert meteen het eerste liedje voor deze uitvaart op: 'Dirty Windshields'.
'You smiled at me
 / Through a dirty windshield / 
You just got back / 
From where the cyclone hit
 / You said you've been / 
In the center of it / 
Where it was all so still / 

Later that day
 / You told me your story / You were in a fight / 
And you still survived
 / You discovered a timeline without end
 /And all you had was an inch to spend

 / When nighttime fell
.'

Gedurende de week zal ik contact houden met Eva, die een stuk van Couperin voorstelt, de Barricades Mystérieuses, en iets van Leonard Cohen, dat is goed.

Stralende woensdagochtend. Ik fiets op mijn gemak naar de begraafplaats, kom gelijk aan met de lijkwagen, die erg vroeg is, dus. Het Westerpark is vergeven van joggers, mensen die hollen voor hun gezond, en daarbij diverse stadia van uitputting zichtbaar voorbij gaan. Ik heb Eva bezworen om althans te trachten een kwartier voor aanvang aanwezig te zijn. 'Anders word ik zenuwachtig,' leg ik uit. En ze komt precies een kwartier voor tijd aan met haar verende tred als gevolg van die gezonde schoenen met de bolstaande zolen, waarop het goed wiebelen moet wezen. Een man en een vrouw die ik vroeger bejaard zou hebben genoemd, maar op mijn huidige leeftijd eer als van middelbare leeftijd zou omschrijven, komen wat aarzelend de begraafplaats opgewandeld: zij draagt een bos seringen. Zo te zien uit eigen tuin afkomstig. Of uit de tuin van iemand anders, dat kan natuurlijk ook. 'Seringen. Die heb ik bij mij in de tuin ook staan,' merkt Eva op. We breken het ijs.

De vrouw vertelt dat ze mevrouw Van Diemen in vroeger dagen gekend heeft, in zeer vroeger dagen: ze waren allebei negen jaar, ze woonden bij elkaar in de buurt. En hoe gaat dat? Je verliest elkaar toch uit het oog. Het was ook toen al een stil meisje, weet ze. Maar je schrikt er toch van, als je dan zoiets hoort. De man vult aan dat het allemaal heel erg is. Dat je dan zo allenig wordt weggebracht. En dat het ook wel een beetje bij het ouder worden hoort.

De uitvaartleider voegt zich bij ons. Ook hij vraagt de bezoekers of ze nog speciale wensen hebben: iets zeggen, de bloemen op de kist leggen, misschien. Maar ze laten het graag aan de dichter van dienst, ze hebben het allemaal ook maar toevallig gehoord, en zouden niet weten wat te moeten zeggen. We zeggen allemaal onhandige dingen, we sluiten een onuitgesproken pact, dat we dit allemaal zo mooi mogelijk gaan doen. Als het tien uur geworden is, leg ik uit dat we nog op meneer Van Bokhoven wachten, waarop de uitvaartleider vertelt dat die vanochtend vanwege de drukte op kantoor heeft afgebeld. Dan kunnen we naar binnen.

En zo doen we dat. De dienst voltrekt zich, Eva Gerlach vertelt wat ze van mevrouw van Diemen weet, in klare woorden, draagt haar gedicht voor, er klinkt muziek: 'Het gaat zoals het gaat,' noteer ik, later deze middag, als ik allang weer thuis ben, en met groeiende weerstand een verslag probeer te schrijven. Wat zal ik zeggen? Jullie waren er niet. Het was stil, intens, we stonden bijeen om het graf, treinen vertrokken en kwamen aan, we dronken koffie, en in zekere zin vormden we een tijdelijke, kunstmatige familie. Het is me niet eerder gebeurd, geloof ik, dat die hele onderneming van het nauwkeurige verslag leggen van een uitvaart me de keel uithing. Het gaat u eigenlijk niets aan. 'Dat we hier als mensen staan,' sprak de uitvaartleider aan het graf, om uiteindelijk, als we na de koffie weer buiten staan, te vragen: 'Zijn we nu buiten functie? Mooi, dan steek ik ook een sigaret op.' 'Heftig, man,' geef ik terug. 'En nog maar eens bedankt.' Als ik het terrein af ben gefietst, kom ik Eva nog eens tegen. Ook wij zeggen nog wat, maar ze praat nu zo zacht, dat ik haar eigenlijk niet versta. Op de terugweg verleg ik mijn route langs de Praxis, veroorloof me de weelde van een twintigtal petunia's, die ik later die middag ook nog, met blote handen, zal begraven.



Gedicht voor mevrouw Van D., 25.9.1950 – 18.4.2012


Ik bel je. Het is half zes ’s morgens. Ik
onder het dak, jij waar dan ook. De lijster
zingt snoeihard dat hij sterker is dan dood.
Wind graaft de schoorsteen uit. Heb jij nog weet
van wat je lijf was? Veertig dagen hang je
rond na het eind, las ik. Wat zoek je? Pijn,
de enige die altijd bij je wou zijn,

mis je hem niet? Pijn wordt een bedgenoot,
bezitterig, onverzadigbaar, als hij
de tijd krijgt. Meegaan is het beste, hart
en adem naar hem regelen, zijn stap
van ver herkennen en klaarstaan als hij
de sleutel in het slot steekt, binnenrent,
je optilt, in zijn armen klemt en vult;

was je daar goed in? Zweeg je? – Ik schaam me, want
ik deed navraag naar je; meeleven voorbij
de datum. Kreeg een foto van je kop,
een scan, een vaasvorm spierwit uitgebeten
in zwart dat niet wou stoppen bij de rand.
Ook nog een telefoonnummer. Gebeld,
ik dacht: je luistert mee. Niemand nam op.

Dit is dag vijftien. Eindelijk uitvaart. Ik hoor
mijn eigen echo, jij? Daarbinnen kraakt
het verhaal dat je niet kwijt wil. Stil maar, taal
is niet noodzakelijk wat in woorden kan.
Luister je nog? Ik leg je neer. Slaap dan.



(C) voor gedicht: Eva Gerlach. voor verslag: F. Starik.


vrijdag 27 april 2012

Eenzame uitvaart nummer 144
I.M. Seldrid Tadeo Coffi
Begraafplaats St. Barbara, maandag 23 april, 13.30 uur
Dichter van dienst: Menno Wigman

Ali Mahmood meldt een vinding: meneer Coffi, geboren op 29 december 1968 op Curaçao, gevonden in zijn woning aan de Van Noordtkade. Ongehuwd, geen kinderen. Geen familie getraceerd. De heer Van Bokhoven heeft samen met Jane, de medewerkster van de Dienst die we maar zelden te zien krijgen, zijn woning bezocht. 'Gewoon. Niet vies of zo,' meldt de heer Mahmood daarover, en dat er een kleine agenda is gevonden, met enkele telefoonnummers daarin, die systematisch zijn afgebeld: of er werd niet opgenomen, of men sprak een antwoordapparaat in, waarop geen reactie volgde, iemand nam op en beweerde hem niet te kennen. Wel werd er 'een brief gedeponeerd, van een meneer Blankendaal', maar wat Ali daarmee bedoelt, werd me niet duidelijk.

Ook werd er via zijn mobiel een mevrouw op Curaçao gebeld, ook die beweerde hem, na enige aarzeling, niet te kennen. 'Zeker een relatie,' veronderstelt Mahmood, die verder weet te vertellen dat meneer Coffi een uitkering genoot, dat hij zijn woning huurde van De Key en dat hij, volgens de politie, bureau Houtmankade, een natuurlijke dood is gestorven. Ik zeg dat van iemand uit 1968 de dood moeilijk natuurlijk kan worden genoemd, dan moet je tenminste twintig jaar eerder, maar liever nog veel meer jaren daarvoor zijn geboren. Meneer Mahmood zegt dat er problemen waren met agressie, zoiets had hij van Jane begrepen. Wat hij daarmee bedoelt? Ik kom er niet achter.

Wel vertelt Ali erbij dat Astrid Bussink de uitvaart komt filmen, en deze keer zal het echt de laatste keer zijn. Menno Wigman heeft zich bereid verklaard in dat geval als dichter van dienst op te treden. Ik bel Menno en vertel hem wat ik ongeveer weet, dat ik aanneem dat Astrid de woning heeft bezocht om die op film vast te leggen, dus van alles heeft gezien en dat Van Bokhoven hem vast ook nog wel meer kan vertellen en laat het er verder bij. Tenslotte, als ik begin de notities die ik tijdens het telefoongesprek op een blocnote heb gemaakt uit te werken, aarzel ik over de volgorde van de voornamen van meneer Coffi. Mahmood zei eerst Seldrid en daarna Tadeo, maar toen hij de namen in zijn geheel herhaalde, was de volgorde andersom. Ook maar even navragen, dus.

Menno kan aan de slag. Maandagmiddag belt hij aan bij mijn woning en fietsen we samen naar St. Barbara, waar we bij de poort de dragers treffen, alsmede de uitvaartleider en de heren Van Bokhoven en Kiewik. Bij de aula zien we de filmploeg rondscharrelen. Te voren hebben we wat over de muziek voor deze gelegenheid heen en weer gemaild, en kwamen tot twee stukken van The Kyteman Orchestra en Solitary Man, gezongen door Johnny Cash. We overhandigen de jonge heer Degenkamp de muziek. We krijgen zendertjes opgespeld, heet dat netjes, opgespeld. Dat betekent dat er een draadje door je kleren wordt geleid, de hand van de geluidsman moet naar binnen, onder je overhemd. Het koude draadje moet richting achterzak. Je vraagt of je het apparaat aan het einde van de draad zelf in je broekzak mag stoppen. Dat mag.

Even later staan we allemaal bijeen bij de ingang. Er zijn vier zenders uitgedeeld. We weten dat alles wat we nu zeggen, tegen ons kan worden gebruikt. Kiewik, Van Bokhoven, Wigman, Starik. En we weten niet goed wat we moeten zeggen. Kiewik is nog de beste van het stel, hij stelt een paar gerichte vragen, waardoor het net lijkt alsof we zomaar wat staan te praten, alsof we helemaal niet merken dat we onze geheime taak in het volle zicht verrichten. Een camera, een geluidsman, de regisseur. Gelukkig is daar de auto met de dode meneer Coffi erin. We zwijgen beschaamd. Even later treden we de aula binnen, terwijl Colin Benders van Kyteman zijn wonderschone intro blaast op zijn trompet. Sinds mijn lief, die een blaasorkest moest interviewen, een trompettist in dat interview de opmerking ontlokte dat 'je nooit een instrument dat tijdens het bespelen van vorm verandert, moet willen beheersen,' kan ik evenwel geen trompet meer horen zonder aan een trombone te moeten denken, om van het andersom maar te zwijgen.

Dan treedt Menno naar voren en leest zijn gedicht. Gebruikt daarbij zijn handen. Als om het ritme van de tekst te slaan.


Aarde, wees niet streng

Aarde, hier komt een eerzaam lichaam aan
waarin een magistrale zon is opgegaan.
Achter de ogen scheen een zomermaand,
het middenrif liep vol zacht avondlicht
en bij de hartstreek rees een tovermaan.

De handpalm voelde water, streelde dieren,
de voeten kusten stranden, kusten steen. Inzicht.
Er sloop vreemd inzicht in het hoofd, de tong
werd scherp, er huisden vuisten in de vingers
en de hand bevocht brood, geld, eer, seks, licht.

Je kunt er heel wat boeken over lezen.
Je kunt er zelf een schrijven. Aarde, wees niet streng
voor deze man die honderd sleutels had,
nu zonder reiskompas een pad aftast
en hier zijn eerste nacht doorbrengt.


Menno vouwt zijn gedicht in vieren, schuift het in een envelop die voor een drievoudig gevouwen papier bestemd is, legt het resultaat op de kist, slaat een kruis en keert terug in het eerste bankje op rechts, waar we gezeten zijn. Kiewik en Van Bokhoven zitten op links. Camera draait. Johnny Cash zingt zijn ode aan de Solitary Man. Kyteman blaast.

'Mooi hoor, alles,' sta je jezelf toe te denken, als we allemaal recht gaan staan om achter de kist aan naar buiten te wandelen, de laatste rustplaats van meneer Coffi tegemoet. Van Bokhoven's witte t-shirt toont een wasvoorschrift. Geluidloos wijs ik het uitstekende labeltje met mijn vinger aan, opdat we stiekem kunnen lachen, dat wordt allemaal gezien. We zwijgen zo hardnekkig mogelijk. Alles gaat zoals het gaat. De kist wordt geplaatst, we naderen, werpen een schepje zand, buigen voor de kist, de uitvaartleider vertelt dat er koffie zal worden geschonken, we zullen wel koffie gaan drinken.

Op de terugweg komen we langs 'een nieuw graf ', vindt Kiewik. Er staat sinds 1997 een beeld op, dat wel van hout lijkt, maar in werkelijkheid uit steen is gehouwen. We houden er stil voor. Bekijken het beeldhouwwerk, voorstellende een groep rouwende mensen, aan de voorzijde aanzienlijk gedetailleerder uitgewerkt dan aan de minder zichtbare buitenzijden, daar waar je niet onmiddellijk langskomt, het hoofdpad volgend. Van Bokhoven voelt aan de liggende figuur, die het beeldhouwwerk bekroont, het zit een beetje los. Kiewik moedigt hem aan het beeld maar helemaal los te trekken. 'Misschien heeft iemand geprobeerd het beeld te stelen,' veronderstelt hij, om uiteindelijk te concluderen dat de centrale figuur nog wel vast zit, in weerwil van de vermoedelijke poging hem te ontvreemden, want dat gebeurt hoor, op begraafplaatsen, dat er beelden gestolen worden, o mijn God, en dat wordt allemaal gefilmd.

Later in de koffiekamer tekenen we allemaal een contract, dat we toestemming geven om het materiaal te gebruiken voor uitzending, nationaal en internationaal, en uitsluitend in betrekking staand tot, en meer van die dingen. Kiewik schrijft erbij dat die toestemming pas geldt als de film is gezien en goedgekeurd. Dan doen Menno en ik dat ook, dat erbij schrijven. Eerst zien, dan geloven.

(C) voor het verslag: F. Starik. Gedicht: (C) Menno Wigman



+

donderdag 5 april 2012

EENZAME UITVAART NUMMER 143
I.M. Pieter Michael Heinemann
donderdag 5 april, 9 uur, begraafplaats St. Barbara
dichter van dienst: Neeltje Maria Min

Ali Mahmood meldt het overlijden van Pieter Michael Heinemann, geboren op 6 februari 1953 in Düsseldorf, Duitsland, overleden op 26 maart 2012 in verpleeghuis Sint Jacob. Hij is getrouwd geweest, lang geleden, en al spoedig weer gescheiden. Volgens het bevolkingsregister trouwde hij op vijftienjarige leeftijd, en had hij zijn scheiding op zijn achttiende al achter de rug. Hij bewoonde een zolderkamer op de Warmoesstraat, tot aan zijn opname in Sint Jacob, en was werkzaam als kok. Er is een broer in Duitsland, die wordt nog gezocht, weet meneer Mahmood. Neeltje Maria Min is dichter van dienst. Zij belt met het verpleeghuis, waar men weet te vertellen dat hij werd opgenomen na een infarct en daarnaast alvleesklierkanker had, in een terminale fase.

Bij de uitvaart van dinsdag informeer ik bij meneer Kiewik of de broer al gevonden is.
Dat is hij niet, of wel, meent Kiewik, in ieder geval zal hij niet komen, donderdag. Dan wordt het donderdag. IJskoud en grijs, dat is het, deze morgen. Als ik op de begraafplaats aankom zitten meneer Mahmood, mevrouw Min en een mij onbekende meneer op een rijtje in de koffiekamer. We schudden handen. De meneer stelt zich voor als Wim. Hij vertelt erbij dat hij eigenlijk Willem heet. Een vriend, de enige vriend van Mits. Zoals Willem liever Wim wordt genoemd, zo noemde hij Pieter Michael dus Mits. 'Ik deed boodschappen voor hem,' vertelt hij. Ze leerden elkaar kennen toen Mits nog als kok werkte, in zo'n backpackershotel, in de Warmoesstraat, daar kon je in de kelder goedkoop eten. En toen hij niet meer kon werken, is Wim hem blijven opzoeken. 'Ik ben ooit begonnen als ziekenbroeder,' vertelt Wim, 'dus dat zorgen heeft er bij mij altijd ingezeten.' Maar als broeder moest je in zo'n witte jurk rondlopen, daarom was hij uiteindelijk trucker geworden. Kon je tenminste je gewone kloffie bij aanhouden.

Mits woonde in een heel klein kamertje, op zolder, eigenlijk meer een berghok, met één piepklein raampje, waardoor nauwelijks zonlicht binnendrong. Boven zijn bed had hij een zonnehemel geïnstalleerd, ter compensatie. Maar daardoor kon Wim, als hij op bezoek kwam, dus niet op het bed zitten. Het moest nog een hele tour zijn om je in dat bed te wurmen. Mits zat zelf op de enige leunstoel die zijn kamer rijk was, hij zat daar altijd, hij zat eigenlijk alleen nog maar. En hij rookte, zware shag, en dronk, halve liters, en at, en dijde uit. En Wim ging dan op zo'n plastic krukje zitten, dat men doorgaans in de keuken als opstapje gebruikt. Onder dat krukje stond de emmer, die Mits gebruikte om zijn gevoeg te doen - het toilet was helemaal beneden, en daar had Mits een half uur werk aan, de trap af en weer helemaal op. Hij bleef liever boven zitten.

De dragers hebben zichtbaar moeite met het gewicht van de kist. Een nieuwe uitvaartleidster stelt zich aan ons voor. Ze is in haar eigen auto achter de lijkwagen aan gereden. Chique vrouw, rijzige gestalte. Zorgvuldige dictie. Ze vraagt of Wim wil spreken, naast de dichteres, wier naam ze op haar formulier noteert, Neeltje, Maria, Min. En ja, dat Maria moet ertussen. Dus uw achternaam is Min. En niet Mariamin. Wim moet erover nadenken of hij wil spreken, zegt hij, want hij heeft niets ingestudeerd. Bij het overlijden van zijn vader had hij ook gesproken. Maar dat had hij van tevoren allemaal eerst opgeschreven. De uitvaartleidster zet zijn naam er toch bij, op haar lijstje. Wim. 'En wat is uw achternaam?' 'Die kan ik zelf niet eens uitspreken. Een Indonesische naam, en ik ben nooit in Indonesië geweest.' Hij doet het voor, hoe zijn naam ongeveer gaat. De uitvaartleidster laat het erbij. Wim dan maar.

De muziekkeuze is bepaald op drie keer licht-klassiek, we treden binnen op de klanken van de Peer Gynt Suite. Als die is uitgeklonken neemt de uitvaartleidster het woord, vertelt dat we in dit kleine gezelschap de heer Heinemann zullen gedenken met woorden en muziek. 'Nu zal eerst Neeltje Maria Min een gedicht voorlezen.' Neel komt naar voren, zet haar leesbril op en leest haar woorden voor.

KOK VAN BEROEP

Geboren in wat hier een rampjaar was.
Met negenenvijftig jaren voor de boeg,
waarin gebeuren moest wat iedereen gebeurt:
ouderlijk huis, school, straat en kroeg,
het kiezen voor een vrouw en een beroep.

Dat deed je, zij het wel wat vroeg.
Je bent in Gustorf - plaats die als
gestorven klinkt - getrouwd.
Je was als vijftienjarig kind
in één klap oud. Na drie jaar kwam je vrij.

We zien u terug als kok in Amsterdam.
We zeggen u en meneer Heinemann.
U antwoordt niet. Bent u al ziek?
U roert traag in de soep en staart
alsof u daarin uw verleden ziet.

U hebt uw koksmuts afgezet,
uw messen ingeleverd. U hebt
geen wapens meer. U ligt in bed.
U denkt te genezen,
de ziekte weet beter.
U trekt de dood
als een dekentje
over u heen.

(C) Neeltje Maria Min, 5 april 2012


Als Neeltje is uitgesproken, haar bril heeft afgezet, stil voor de kist heeft gestaan, klinkt De stervende zwaan op, van Saint-Saens, ook mooi. Dan kondigt de uitvaartleidster Wim aan. Hij gaat wijdbeens bij de katheder staan en richt zich tot Mits. Hij memoreert hen samen op dat kleine kamertje, boven die luidruchtige straat, de goede jaren en ook de tijden dat het minder ging, en dat hij Mits helaas niet meer in Sint Jacob heeft kunnen bezoeken, omdat er geen geld was voor de bus. Jammer. Hij spreidt zijn armen in een hulpeloos gebaar, knikt dan naar de kist, gaat ervoor staan en buigt nog eens. Dan zet hij zich terug in zijn bankje. En klinkt het laatste muziekstuk op. Even later wandelen we de kou in, naar zijn laatste rustplaats.

In de koffiekamer praten we lang na. Wim vertelt honderduit, over zijn familie, zijn jaren als trucker, en dat hij nu - als drieënzestigjarige - niet meer aan de bak komt, hoe saai het is, te moeten wonen in Hoofddorp, dat hij graag een toespraak had voorbereid, en dat hij dan natuurlijk niet in zijn dagelijkse kloffie was gekomen maar met een mooi pak aan, en met een echte hoed op, in plaats van het petje dat hij nu droeg, een zwart petje met het opschrift: NY GIFT. Dat hij wel een half uur zou kunnen spreken. Wij geloven dat. Hij weet dat Mits ooit getrouwd was, hij heeft wel eens foto's van zijn vrouw gezien, een Italiaanse, maar hij gelooft niet dat Mits op vijftienjarige leeftijd al trouwde: dan had hij dat er heus wel bij verteld. 'Zo staat het in het Bevolkingsregister,' zegt Ali, 'dus voor ons zijn dat de feiten.'

Tegen half elf neemt de oude heer Degenkamp, die de uitvaart heeft begeleid, nadrukkelijk afscheid: er staat een volgende uitvaart gepland. Onze tijd is om. Buitengekomen vraagt Wim wie van ons met de auto is gekomen, dan kan hij misschien stukje meerijden. Maar Neel is lopend, ik heb alleen een fiets. En meneer Mahmood is al vertrokken. 'Ik heb niet eens een rijbewijs,' beken ik. 'Ik ook niet,' vult Neel aan. Daar kan Wim wel om lachen. Dan maar weer de bus. Terug naar Hoofddorp, of nog even de stad in.


(C) voor het verslag: F. Starik



+